Bestemmingsplanprocedure: terinzagelegging stukken

21-09-2009

Door: Anna Kapteijn (nieuwsbrief september 2009)

Op 27 mei 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de verplichting tot het ter inzage leggen, samen met het (ontwerp) bestemmingsplan, van de stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het (ontwerp)bestemmingsplan (ABRS 27 mei 2009, TBR 2009/169). Hoe ver gaat deze verplichting en wat betekent dat voor gemeenten, mede in het licht van de nieuwe Wro?

Aanleiding tot geschil

Verschillende appellanten, waaronder de “Boerenbond Deurne”, zijn opgekomen tegen het feit dat de op het plan betrekking hebbende stukken, zoals onderzoeksrapporten naar de milieueffecten van het plan, niet deugdelijk ter inzage zijn gelegd door het college van B&W van de gemeente Deurne.

Standpunten college

Het primaire standpunt van het college was dat kan worden volstaan met vermelding van het verrichte onderzoek en de conclusies in de plantoelichting en dat terinzagelegging van de onderzoeksrapporten niet is vereist.

Bovendien, zo stelt het college, lagen de betreffende stukken wel in een andere kamer van het gemeentehuis en waren de ambtenaren werkzaam bij de betreffende balie, geïnstrueerd geïnteresseerden in de inzage hierop te wijzen.

Oordeel Afdeling

De Afdeling stelt vast dat de plicht tot terinzagelegging voortvloeit uit artikel 23, eerste lid WRO (oud) en de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 de Awb, die van toepassing is. De ratio van deze plicht is betrokkenen in staat stellen om gemotiveerd zienswijzen en bedenkingen in te kunnen brengen tegen het plan. Hieruit vloeit voort dat alle stukken die van belang zijn ter beschikking van geïnteresseerden dienen te worden gesteld. Het primaire standpunt van het college is dus onjuist.

De verplichting stukken ter inzage te leggen behelst een actieve plicht voor de overheid. Dit vloeit voort uit artikel 3:11 Awb. De Afdeling oordeelt dat de betreffende stukken weliswaar in een andere plaats op het gemeentehuis mochten liggen, maar dat bij een dergelijke handelswijze het plan vergezeld dient te gaan van een duidelijke omschrijving van die stukken, bijvoorbeeld in de vorm van een inventarislijst. Tevens moet duidelijk kenbaar worden gemaakt dat de stukken op afroep onverwijld beschikbaar zijn voor inzage.

De conclusie is dat het college in dit geval niet voldaan heeft aan de op hem rustende verplichting: er was geen deugdelijke inventarislijst en belangstellenden zijn niet verzekerd dat de stukken direct beschikbaar waren. De stelling dat ambtenaren de belangstellenden mondeling doorverwezen, werd weersproken door appellanten. Dit alles brengt met zich mee dat het college niet voldaan heeft aan zijn wettelijke plicht.

Lijn in jurisprudentie

De goede naleving van de voorschriften omtrent terinzagelegging werd door de Afdeling in beginsel al streng in de hand gehouden. In die zin is de onderhavige uitspraak van de Afdeling een bevestiging van bestaande jurisprudentie te noemen.

WRO / Wro

De onderhavige zaak speelde onder de vigeur van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening schrijft in artikel 3.8 lid 1 onder a Wro voor dat de bij het ontwerpbestemmingsplan behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar dienen worden gesteld. Door de annotator in het TBR wordt verdedigd dat ook bij de elektronische beschikbaarstelling bereikbaarheid door de burger voorop dient te staan. Een hyperlink in de inventarislijst die naar de betreffende stukken doorleidt, zou een goede optie kunnen zijn.

Conclusie

De op de zaak betrekking hebbende stukken hoeven niet op dezelfde plek op het gemeentehuis ter inzage te worden gelegd als het (ontwerp)bestemmingsplan zelf. Op gemeenten rust wel de verplichting bij het (ontwerp)bestemmingsplan een duidelijke en volledige inventarislijst te voegen. Verder moetduidelijk worden gemaakt dat de stukken op afroep onverwijld beschikbaar zijn voor inzage. Gemeenten zullen voor ogen moeten houden dat de verplichting tot terinzagelegging voortvloeit uit de plicht tot actieve informatieverstrekking aan de burger.

De actieve informatieplicht geldt ook onder het regime van de nieuwe Wro, dat tevens de verplichting tot elektronische beschikbaarstelling omvat.