Schadevergoeding en voordeelstoerekening

28-06-2010

Door: Wouter Post (nieuwsbrief zomer 2010)

Wie schade lijdt in de vorm van winstderving, omdat zijn contractspartner wanprestatie pleegt met als gevolg dat de overeenkomst niet over en weer wordt nagekomen , heeft uiteraard recht op vergoeding van die schade. Dat is geen nieuws. Wel nieuw lijkt te zijn dat als de schadelijdende partij er vervolgens in slaagt om met de vrijgekomen bedrijfscapaciteit vervangende omzet en winst te genereren, dit geen enkele invloed heeft op zijn schadevergoedingsaanspraken op de de wanpresterende partij; deze kan dan niet aanvoeren dat zijn voormalige contractspartner eigenlijk helemaal geen schade lijdt, en wellicht zelfs beter af is. Zo besliste de Hoge Raad in het hierna te bespreken arrest.

HR 10 juli 2009, RvdW 2009/847 (Vos Logistics/Trailer Service Nederland)

Vervoersbedrijf Vos Logistics sluit met Trailer Service Nederland (TSN) een overeenkomst, die inhoudt dat TSN voor een periode van ten minste vijf jaar de opleggers van Vos gaat onderhouden en repareren. Nog voordat twee hele contractjaren zijn verstreken verbreekt Vos de overeenkomst. In een vervolgens door TSN aanhangig gemaakte procedure komt vast te staan dat dit ten onrechte was, en dat Vos daardoor jegens TSN schadeplichtig is geworden: Vos moet aan TSN vergoeden de schade die TSN heeft geleden en nog zal lijden doordat TSN niet de gelegenheid heeft gekregen om het contract ‘uit te dienen’.

Het gaat in deze zaak vooral om de vraag hoe deze schade moet worden bepaald. Want Vos had als verweer aangevoerd dat TSN, in de periode na de contractsverbreking, zijn bedrijfscapaciteit met succes had weten te benutten om elders omzet te genereren. Daarmee dient in het kader van de schadevaststelling rekening te worden gehouden, aldus Vos.

Het hof Leeuwarden en de Hoge Raad denken hier anders over. Het hof overweegt dat de schade van TSN dient te worden gesteld op de verwachte winst op het met Vos gesloten contract over de resterende contractsduur, en dat daarbij moet worden geabstraheerd van de vragen in hoeverre TSN na het wegvallen van het Vos-contract erin is geslaagd om andere omzet te genereren, of TSN die omzet ook (geheel) zou hebben gehaald indien het contract met Vos was blijven doorlopen, en of de andere omzet gepaard ging met hogere marges dan die uit het contract van Vos. Met andere woorden: die omstandigheden wegen niet mee bij de schadevaststelling. Verder was er volgens het hof ook geen sprake van zgn. voordeelstoerekening (art. 6:100 BW), omdat het voordeel dat TSN heeft behaald op andere, vervangende opdrachten, primair het gevolg was van de eigen inspanningen van TSN om ander werk te genereren, en niet van het verbreken van het contract door Vos. Er zat dus geen causaal verband tussen het voordeel van de vervangende omzet en de contractsverbreking.

De Hoge Raad laat dit oordeel van het Hof nadrukkelijk in stand. Met betrekking tot het beroep op voordeelstoerekening overweegt hij nog dat hiervan slechts sprake kan zijn als de schade en het voordeel, zoals de wet het formuleert, uit “een zelfde gebeurtenis” voortvloeien, en daarvan was in dit geval geen sprake.

Het onderhavige arrest heeft de aandacht getrokken in de juridische literatuur, omdat de Hoge Raad in andere, naar het zich laat aanzien vergelijkbare, situaties wel rekening wenst te houden met voordeel dat de schadelijdende partij door eigen inspanningen in de toekomst kan behalen. Zo wordt bijvoorbeeld in procedures van werknemers tegen werkgevers over onterecht ontslag rekening gehouden met de mogelijkheid om vrijwel meteen elders aan de slag te gaan. En in letselschadezaken waarbij sprake is van arbeidsongeschiktheid wordt ook altijd gekeken naar nog resterende capaciteit om inkomen te genereren. Het is niet helemaal duidelijk waar het verschil in behandeling/uitkomst precies zit.

Prof. Hartlief heeft gewezen op een interessante consequentie van het arrest: als het vinden van alternatieve omzet de geleden schade niet doet verminderen (zoals in het arrest wordt gezegd), dan kan er ook geen plicht worden aangenomen tot het zoeken naar die alternatieve omzet. Het niet zoeken daarnaar levert dus ook geen zgn. ‘eigen schuld’ op die de schadevergoedingsplicht doet verminderen (art. 6:101 BW). Met andere woorden, de schadelijdende partij kan ongestraft stilzitten en schadevergoeding incasseren. Maar de schadelijdende partij kan ook, zoals TSN had gedaan, wel proberen vervangende opdrachten te krijgen, en als dat lukt kan hij dubbel incasseren. Overigens heeft Hartlief zich kritisch uitgelaten over het arrest van de Hoge Raad.

Toepassingen van het arrest laten zich bedenken in het vastgoedrecht:

Denk bijvoorbeeld aan de verhuurder die wordt geconfronteerd met een onregelmatige beëindiging door de huurder. Deze kan schadevergoeding vorderen wegens gemiste huuropbrengsten, en eventuele inkomsten uit het opnieuw verhuurde object hebben daar geen invloed op.

Of denk de inschrijver op een aanbesteding aan wie ten onrechte de opdracht niet wordt gegund. Hij zal een schadevergoedingsvordering op de aanbesteder hebben, waarvan de omvang in beginsel zal worden bepaald op de winst die met opdracht had kunnen worden gegenereerd. Als de inschrijver binnen de kortste keren een vervangende opdracht in de wacht sleept, die zijn capaciteit geheel of grotendeels benut, kan de aanbesteder hem dat dan tegenwerpen? Kan de aanbesteder aanvoeren dat de inschrijver dan in feite meer krijgt dan hij überhaupt had kunnen verdienen? Waarschijnlijk niet, met de uitspraak Vos Logistics/TSN heeft de inschrijver nu een sterk wapen in de hand.