Meer duidelijkheid over wonen met zorg

Op 4 oktober 2017 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak die iets meer duidelijkheid geeft over het onderscheid tussen woon- en zorgappartementen.

Door: Hanneke Ellerman

In de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2017 lag een bouwplan voor met 69 woonzorgeenheden waarvan de vraag was of die waren aan te merken als “maatschappelijke doeleinden” met de nadere aanduiding “bejaardenoorden”. Lastige bijkomstigheid was dat het begrip “bejaardenoorden” niet in het bestemmingsplan was gedefinieerd. “Gewoon wonen” was volgens het bestemmingsplan niet toegestaan.

Volgens appellanten die zich tegen het bouwplan keerden, had de rechtbank miskend dat in de te bouwen zorgappartementen weliswaar “enige zorg” aan de bewoners zal worden aangeboden, maar dat de zorg en beschikbare faciliteiten dusdanig minimaal zullen zijn dat de nadruk zozeer op wonen zal liggen dat de te bouwen woningen als reguliere zorgwoningen moeten worden aangemerkt die onder een woonbestemming moeten worden gebracht.

De Afdeling herhaalde zijn standpunt uit de eerdere uitspraak van 25 maart 2015 (besproken in de nieuwsbrief van april 2015) dat:

de veranderende opvattingen over en ontwikkeling in de zorg ertoe hebben geleid dat steeds meer andere dan traditionele, meer kleinschalige, initiatieven in het leven worden geroepen, waarbij zorg wordt aangeboden in combinatie met al dan niet meer of minder zelfstandige bewoning.”

Voor de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de maatschappelijke bestemming, is volgens de Afdeling doorslaggevend of het vereiste zorgaspect voldoende aanwezig en verzekerd is.

Dat was hier het geval en dus pasten de voorziene appartementencomplex in de bestemming “maatschappelijke doeleinden”.

De Afdeling achtte daarbij van belang dat:

  • de appartementen zijn bedoeld voor hulpbehoevende ouderen en hun eventuele niet-hulpbehoevende partners volgens het concept Samen Aangenaam Ouder Worden, dat uitgaat van bewoning met een verzorgend karakter (toekomstbestendige appartementen, waarbij in een kleinschalige omgeving op eigentijdse wijze bejaardenzorg op maat kan worden geboden);
  • de appartementen zijn voorzien van bouwkundige en installatietechnische voorzieningen ten behoeve van het woongemak van ouderen (waarbij eventueel benodigde extra voorzieningen snel en eenvoudig zijn aan te brengen);
  • de appartementen bestemd zijn voor enkel ouderen met ten minste een minimale zorgindicatie (en hun partners) en de appartementen geschikt zijn voor ouderen met een zorgbehoefte overeenkomstig de zorgzwaartepakketten 1 t/m 8;
  • de bewoners contractueel verplicht zijn om ten minste een basiszorgpakket af te nemen, dat eventueel met extra zorg is uit te breiden;
  • in het wooncomplex  een verpleegpost aanwezig is vanuit waar 24-uurs zorg wordt geboden en die op individuele bewoners toegesneden bejaardenzorg aan de bewoners kan bieden, onder meer ter ondersteuning van zelfstandige deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Gezien deze uitspraak en die uit 2015, acht de Afdeling het op zichzelf kennelijk niet relevant dat:

  • de zorg (zowel de zorg op afspraak als op afroep) wordt geleverd door medewerkers van een thuiszorgorganisatie;
  • appartementen een eigen voordeur hebben en over zelfstandige voorzieningen beschikken;
  • er niet in een overeenkomst is vastgelegd dat uitsluitend ouderen met een minimale zorgindicatie (en hun partners) in aanmerking komen voor een appartement mits er maar voldoende (anderszins) is geborgd dat er geen bewoners zonder zorgbehoefte in het complex zullen gaan wonen, bijvoorbeeld door het opnemen van de verplichting tot afname van een (variabel) zorgpakket en er specifiek op de zorg van ouderen gerichte service en faciliteiten aanwezig zijn.