De nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking: eenvoudiger?

De nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking is eenvoudiger opgezet, maar let op: onderbouwing van de behoefte (zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied) blijft nodig.

Door: Hanneke Ellerman (Nieuwsbrief Vastgoed & Overheid, juni 2017)

Per 1 juli 2017 treedt de aangepaste Ladder voor duurzame verstedelijking als opgenomen in artikel 3.1.6. lid 2 Bor in werking. In de voorlichting over de nieuwe ladder wordt breed uitgemeten dat de toepassing ervan eenvoudiger en geoptimaliseerd wordt. De (drie) treden worden losgelaten, het begrip actuele regionale behoefte wordt vervangen door behoefte en de mogelijkheid wordt geboden om de laddertoets bij een Ook bestemmingsplan door te schuiven naar het uitwerking- of wijzigingsplan. Ook vervalt het voorschrift dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, beschreven moet worden dat de locatie passend wordt ontsloten. Maar let op: de wijzigingen hebben minder gevolgen voor de motivering en het onderzoek dan je op het eerste gezicht zou denken.

Toelichting

Het nieuwe artikel 3.1.6 lid 2 Bro houdt in dat als een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de toelichting een beschrijving moet worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en als die buiten bestaand stedelijk gebied (BSG) is voorzien, waarom dat niet binnen BSG kon. In het derde lid wordt de mogelijkheid geboden om bij een bestemmingsplan met een uitwerkingsplicht of een wijzigingsbevoegdheid, de ladderonderbouwing door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan.

De verplichting om de actuele regionale behoefte te onderbouwen vervalt. Maar dat betekent natuurlijk niet dat de behoefteonderbouwing niet meer actueel hoeft te zijn. Dat was in feite een onnodige toevoeging die achterwege is gelaten. Ook blijft de verplichting bestaan om de behoefte aan de ontwikkeling te motiveren, ook als die binnen BSG is voorzien. Als extra geldt alleen dat bij een ontwikkeling buiten BSG ook moet worden gemotiveerd waarom niet binnen BSG in die behoefte kan worden voorzien.

De mogelijkheid om de ladderonderbouwing door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan is voorzien in het derde lid. Dat is op zichzelf een praktische aanpassing omdat dan niet twee keer de behoefte gemotiveerd hoeft te worden  (en niet twee keer onderzoek hoeft te worden gedaan) en bovendien kan worden aangesloten bij de concrete situatie ten tijde van de uitwerking/wijziging. Maar: gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ontslaat dat het gemeentebestuur niet van de verplichting om al bij de vaststelling van het bestemmingsplan te onderzoeken (en te onderbouwen) of de in het plan voorziene ontwikkelingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn. Die onderzoeks- en motiveringsplicht blijft dus onverkort gelden.

Bovendien: als er gebruik wordt gemaakt van de doorschuifmogelijkheid, betekent dat de nog uit te werken/te wijzigen locatie tot het moment waarop het uitwerkings-/wijzigingsplan wordt vastgesteld, geen onderdeel uitmaakt van het aanbod/planologische voorraad bij Laddertoetsen voor andere locaties in de omgeving. Er wordt met andere woorden met het (moeder)bestemmingsplan geen ruimteclaim gelegd. Als die andere locaties eerder ontwikkeld worden, zijn die dus een gegeven op het moment dat het uitwerkings-/wijzigingsplan wordt vastgesteld, met het risico dat de behoefte aan de in dat uitwerkings-/wijzigingsplan voorziene ontwikkeling niet meer onderbouwd kan worden.

Conclusie

De nieuwe Ladder betekent niet dat de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen BSG niet gemotiveerd hoeft te worden. Ook als de Laddertoets wordt doorgeschoven naar het uitwerkings-/wijzigingsplan betekent niet dat de voorziene behoefte niet gemotiveerd hoeft te worden. Wel zal de uitvoerbaarheid wat globaler gemotiveerd kunnen worden.